Maar… ehhh, u wil natuurlijk nog weten hoe dat tuinfeest verlopen is, in Spanje?
Nou, daar heb ik toevallig schijt aan!
En ik zal u zeggen waarom…

Het was weer (is dat nog nieuws?) een bloedhete dag, ofschoon de meteorologische dienst enige bewolking van betekenis had voorspeld.
We parkeerden de auto bij de brug en volgden het pad door de welig tierende begroeiïng langs de rivier, een zijrivier van de Rio Guadiana. Ik had een krat bier in de ene hand en de vanochtend door mijn vrouw vervaardigde fruitsalade in een wijde tas in de andere.
De vrouwen, met hun líchtere bepakking, hadden natuurlijk weer geen enkele haast en keuvelden lustig alsof het een doordeweekse zondag betrof.
Ja, dáár kon deze jongen natuurlijk niet op wachten!
Dus als een rechtschapen Zuideuropeaan griepte ik tientallen meters voor dat gekwetter uit.

Na ongeveer een kilometer liet ik het van overheidswege aangelegde pad achter me, dat rechts in de heuvels verdween. Ik bleef de rivieroever volgen en bereikte het door bamboeriet overwoekerde valleitje dat als het ware de toegangspoort vormt tot de finca van onze Zweedse vrienden.

Net als ik me buk voor de laatste hindernis, trekt er een moordende kramp door mijn ingewanden. Ik denk bij me eige: Die kan ik maar beter even laten waaien vóórdat ik de gastvrouwe in de houdgreep neem…
Op dat moment schiet me een paar gevleugelde dichtregels van mijn eerste chef te binnen:
Hij voelde het branden in zijn donder
En scheet de hele rotzooi onder…

Wat sta jij hier nou te vloeken, vraagt mijn vrouw.
Broek vol, snauw ik.
Ja, ik ruik ‘t, giechelt dochterlief opbeurend, alsof ik die bevestiging nodig had.
En nu, vraagt mijn vrouw.
Terug natuurlijk, sis ik.
Te laat, de hond des huizes heeft inmiddels de geur van ons… ehh, mij te pakken en springt ons blaffend en kwispelstaartend tegemoet.
Rustig, Bongo, rustig! Nee, niet aan mijn kont, rothond!
Dáár komen de gastheer en gastvrouwe al aangedrenteld.
Wij verlaten onze lommerrijke schuilplaats en storten ons breed lachend in hun armen.
O, wat leuk dat jullie gekomen zijn! Welkom! Welkom!
Nog koester ik de vermoedelijk ijdele hoop dat de alom walmende uitwerpselen van hun honden en ezel mijn kakelverse aroma enigszins camoufleren.
Ik frommel het krat bier onhandig in de handen van de gastheer en overhandig de salade een beetje verlegen aan zijn vrouw.
Mag ik misschien eerst even van jullie toilet gebruikmaken?
Ik laat het reeds gearriveerde gezelschap dat mij breed grijnzend zit op te wachten, wat ongemakkelijk links liggen: Ehhh, ik moet eerst even…!

Hun huis is nog in aanbouw. Maar hopen dat de w.c.-deur inmiddels heeft postgevat…
Dát valt gelukkig mee. En een vólle rol w.c.-papier! Jee, wat zit het me opeens mee!
Zo nu eerst de schade opnemen. Kijk, die valt dan weer wél tegen, mínimaal zeven kleuren!
Ik begin aan mijn schoonmaakklus, een sisyfuskarwei kan ik u in vertrouwen meedelen, want onze gastheer heeft uitgerekend zo’n fonteintje geïnstalleerd waar ik met mijn kolenschoppen amper onder kan en waar bovendien zo’n klein zeikstraaltje uitkomt dat al bijna verdampt is vóórdat het de kraan verlaten heeft. Daar komt nog bij dat ik niet zo’n – zoals dat heet – elegante (heren)slippendrager ben. Dát is voor deze jongen niet weggelegd. Nee, ik heb nog een echte, degelijke onderbroek, zo’n grote witte…
Nou ja, wit!
Maar zo eentje waar je nog wel een dolle stier mee kunt vangen en tevens knevelen – als de situatie daarom zou vragen…
Hè?
Ja, dat is waar! Kan altijd van pas komen, in de binnenlanden van Spanje. Ook al zal meine Unterhose in zijn huidige conditie de meest woeste stier nog het hazenpad doen kiezen.

Ik verbruik alle aanwezige grondstoffen, water, zeep, toiletpapier. Ik zie in gedachten de gastvrouw al toesnellen op de noodkreten van de volgende bezoeker van dit vertrek…
Maar ik weet toch zeker dat ik vanmorgen een volle rol….!
Afijn, een luttel probleem, vergeleken bij het mijne!

Mijn oog valt op een voorwerp bij het w.c.-raampje dat enigszins uit de toon valt in deze ambiance, een leeg bonbon-doosje…
Wat vreemd! Men gaat toch geen chocola zitten eten tijdens het… Afijn, de voorzienigheid, zullen we maar zeggen, want… laat nou mijn uitgewrongen en slordig opgevouwen onderbroek precies in dat doosje passen!
Doorweekt verlaat ik het zweetkamertje na een laatste keurende blik en een flinke jens op de toiletspray.

Buitengekomen zie ik de tas van mijn vrouw in een boom hangen…
Hè?
Jaja, benédenwinds van het feestgedruis.
Onopvallend laat ik het doosje in de tas glijden. Eerst dán begin ik aan mijn begroetingsronde.
En laat de knalfuif, die voor mij met een sisser begonnen was, toch nog uitmonden in een alleszins genoeglijk samenzijn met veel smörgĕstorta (of zoiets), bier en wijn!
Wel heb ik in de loop van de middag tientallen malen zo onopvallend mogelijk gevoeld of mijn gulp wel dichtzat. Men wil tenslotte geen aanleiding geven, met al die Zweedsen die niet zo gek veel wijn nodig hebben om hun scrupules van zich af te werpen. Trouwens, vlak die Engelse dames qua inneemgedrag ook niet uit! De Iberischen kregen het Spaans benauwd, van zoveel Westerse beschaving…

Thuisgekomen, zeg ik tegen mijn vrouw: Waar is je tas! Ik moet er even iets uit hebben…
Welke tás, joh?
Nou, die draagtas die we destijds in Barcelona gekocht hebben, die met die bloemetjes erop!
O, díe? Die staat daar nog, daar zaten de c.d.’s in die ik van haar geleend had, weet je nog!?

Die nacht droom ik dat onze gastvrouw tussen de geretourneerde muziekdragers een doosje aantreft…
Och, wat lief! Dat had toch echt niet gehoeven! Mijn favoriete bonbons nog wel!
En ik zie hoe ze zich likkebaardend met het doosje naar het kleinste kamertje begeeft…
Badend in het zweet schiet ik overeind.

12/09