Ik kan niet veel ouder dan drie jaar geweest zijn, toen er iets raars gebeurde…
Ik bedoel… aangezien wij uit Akkrum zouden verhuizen toen ik drie was, kan het voorval hooguit rond die tijd plaatsgevonden hebben.

Samen met mijn twee vriendjes was ik spelenderwijs bij het water beland; die twee vriendjes die een paar jaar ouder waren dan ik, verbaal derhalve tevens een paar noten meer op hun zang hadden en die ik dus af en toe kalm tot de orde moest roepen door ze met mijn massiefhouten, door vaderlief getimmerde kruiwagen op hun kop te slaan – wilde ik een pleit althans in mijn voordeel beslechten.

Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig, dus míj was bij herhaling en met uitermate harde hand door palief te verstaan gegeven dat ik niet bij het water komen mocht…
Zo’n op ’t eerste oog niet mis te verstaan bevel vereiste toch nog enige interpretatie mijnerzijds, aangezien er een vaart voor ons huis langs liep, slechts door een straat van ons voortuintje gescheiden.

Welnu, op zekere dag liet ik mijn vriendjes rustig begaan in de onderwal, terwijl ikzelf – op veilige afstand, vond ik – vanaf de straat toekeek; ik wilde – tóen nog! – geen gedonder met het gezag. Dus, hóe ik in vredesnaam de twee meter tot het wateroppervlak overbrugd heb, kan ik tot op de dag van vandaag niet navertellen.
Was het de roep van het water, die elke gezonde Hollandse knul door de aderen schalt? Was het een absence, een eenmalige epileptische aanval? Had ik te diep in het glaasje gekeken bij het noenmaal? Wie zal het zeggen? Feit was, dat ik me tot mijn niet geringe verbazing opeens in de vaart bevond; om er overigens nog geen tel(!) later aan mijn plunje weer uit getrokken te worden, door… jawel, door mijn liefhebbende vader.

Kijk, dát noem ik “geluk hebben”, ofschoon ik er op dat moment geen verklaring voor had, hóe de man in jezusnaam zo snel ter plekke kon zijn. Pas toen ik vele jaren later de film Superman zag, begreep ik hoe dat in zijn werk gegaan was.

Wat dies ook zij, het voorval heeft me geleerd dat ik niet altijd van mezelf op aan kan; dat men nimmer helemaal op zichzelf vertrouwen mag.
Voorwaar, een waardevolle levensles!

Hoewel…
Het zal toch niet zo zijn – even onder ons gezegd en gezwegen, hè! – dat mijn ouweheer, terwijl hij vanuit de woonkamer een toeziend oog hield op zijn spelende oudste zoon, op het lumineuze opvoedkundige idee kwam om één van zijn geboden eens op ludieke wijze kracht bij te zetten, ofschoon deze koter zich op dat moment keurig aan de vrome kant van het betreffende decreet ophield? Ge-waterboard worden door je eigen vader!? Nee, hè… dat zál toch niet!?

Hoe dúrf ik in ‘s hemels naam zo slecht te denken, over mijn bloedeigen vader!?
Bah, weg met die boze gedachte! Immers, wenn du lange in einen Abgrund blickst, blickt der Abgrund auch in dich hinein…