Het is nu ongeveer een maand geleden dat we “onze” dochter voor de tweede keer in twee maanden tijd op het vliegtuig naar Engeland zetten; ditmaal hopelijk voorgoed.

Ik mailde vorige week de volgende hartenkreet aan haar Britse vriend…
“Ik heb geen idee wat je met haar doet (en dat wou ik – als het effe kan – ook graag zo houden!), maar… ga er vooral mee door!”
We kennen haar namelijk niet terug, zeg – ikzelf noch haar moeder! Ze heeft de afgelopen weken meer met ons gesproken, dan in de afgelopen jaren. En hoe!? Lachen, huilen, grappen tappen; je kunt het zo gek niet bedenken! Ze toont opeens een scala aan emoties waarvan ik helegaar niet wist dat ze die in zich had.

Kortom, hij doet iets helemaal goed, mijn “schoonzoon”…
Okee, als u het dan per se van de negatieve kant wil benaderen, dan zou men ook kunnen stellen, inderdaad, met een beetje kwade wil, dat ik iets helemaal fout deed, ja. Kennelijk zijn goede bedoelingen alleen niet altijd genoeg; men moet ze ook weten te brengen.
Ook vorige week weer brak ik als de spreekwoordelijke olifant in de porseleinkast in in het FaceTime-gesprek tussen moeder en dochter met de vraag of ze inmiddels al eens “bij een uitzendbureau of zo” binnengestapt was…
Na een ijzige stilte informeerde ze op haar oude, vertrouwde verontwaardigde toon hoe ik me dat in ‘s hemels naam voorgesteld had; ze was er immers “pas drie weken”.
Trouwens, ze had het ook veel te druk met koken en poetsen, voegde ze eraan toe.
Het positieve daaraan vind ik, dat ze er kennelijk in geslaagd is om de in de afgelopen tweeëneenhalf jaar uitgespaarde energie ergens op te slaan in dat magere lijf van haar.

Ik houd sinds dat incident de conversatie losjes
En, verdomd, we hebben nog nooit zo’n goed contact gehad! Ik had niet verwacht dat ik het ooit zou toegeven, maar… ik begin bijna een beetje te snappen waarom mensen kinderen nemen.