Ik heb het steeds over dat demonstratieve superioriteitsgevoel (is het dat eigenlijk wel?) van onze dochter, dat me gedurig in de gordijnen jaagt, maar de waarheid is dat mijn eigen zelfbeeld ook verre van realistisch is…

We waren laatst op bezoek bij een bevriende Britse filmmaker, die (onder meer!) in Mértola een kast van een huis bezit. De rondleiding vooraf aan het avondmaal vergde dan ook geruime tijd.
Toen we de master bedroom, waar overigens met gemak óns hele huis in paste, verlaten hadden, riep de heer des huizes achter me: “En dit is de kleedkamer van mijn vrouw!” Onze dochter en ik bleven gedwee staan en keken met gepaste bewondering om ons heen, ofschoon er – behalve de kleren aan ons eigen lijf – geen kledingstuk te zien was. Die werden vermoedelijk discreet aan het oog onttrokken door de enorme, schuifbare spiegelwand, die zelfs een doorgaans onbenullig vertrek als een kléédkamer in dit geval omtoverde tot markthal.

Opeens vraag ik (terwijl ik érgens het antwoord al wel wist), op de wand wijzend: “Wie is die vetzak in het midden eigenlijk!?”
Ik kreeg geen antwoord; men staarde, zowel ter linker- als ter rechterzijde, respectvol naar de vloer…
Wablief?
Nee, niks niet “uit angst”!
“Respect” heet dat! Ik zal dat begrip te gelegener tijd wel eens uitleggen, voor diegenen die alleen maar “angst” kennen!
Waar was ik gebleven?
Ja, dus… ik bedoel dus eigenlijk, dat het de béste dus kan overkomen, hè; dat het zelfbeeld dus weleens een tikje bezijden de werkelijkheid is, bedoel ik… dus!

Natuurlijk zie ik weleens een glimp van mezelf, maar… de spiegels bij ons thuis hangen niet alleen op navelhoogte, ze zijn bovendien van scheerschuimafmetingen.
Dus, mezelf op levensgrootte zien, dat komt zelden voor. En mijn zelfbeeld had kennelijk zijn kans schoon gezien om intussen een loopje te nemen met de waarheid; ik had ongemerkt een zelfbeeld “gehouwen” door te hooi en te grasduinend een beetje te lopen extrapoleren vanuit de wereld om me heen, in de trant van: “Mensen van mijn hoogte zijn door de bank zo mager… ehh, slank als een lat, dus ben ik dat waarschijnlijk ook!” Waarnemingen die niet strookten met dat zelfbeeld (zoals bijvoorbeeld mensen die spontaan van hun stokje gaan als ik de hoek om kom, alsmede niet-functionerende weegschalen), legde ik met “Onbegrijpelijk!” simpel naast me neer.
Maar toen, in die enorme kleedkamer daar in dat grote huis, werd mijn zelfbeeld dus even ontnuchterend geconfronteerd met zijn… eh, mijn spiegelbeeld…

Maar dan ben ik meteen ook weer zo van… áánpakken, hè! Dan ben ik een man van de harde lijn… eh, actie! Ik zei meteen tegen mijn spiegelbeeld: Aan de lijn jij!
Zo! Pak vast!
Wat zegt u?
Ja, uitstékend gegeten, ja, die avond! Beetje te veel misschien! Nee, dát was dik, maar… dan ook dík in orde! Waarom vraagt u dat?