Als ik mezelf voor ‘t eerst zou tegenkomen, zou ik mezelf waarschijnlijk een ongelooflijk arrogante lul vinden…

Ik heb namelijk niet het geduld, me samen met een onbekende door de hele santekraam van sociale plichtplegingen heen te werken. Of, het geduld misschien wel, maar ik heb er een schier fysieke weerstand tegen, tegen dat tegen mekaar aanschurken – dat oeverloze baltsspel, zeg maar. En, het is gek genoeg net alsof die weerstand met het klimmen der jaren alleen maar groter wordt.
Wil men dus leren netwerken, is men bij mij ten enenmale aan het verkeerde adres…

Men mag natuurlijk niet generaliseren – en ik zal zulks derhalve ook nooit(!) doen – maar ik vermoed dat iedereen me meteen begrijpt wanneer ik zeg dat Britten daar ware meesters in zijn, in het uitwisselen van obligate plichtplegingen. Hoe vaak heb ik niet op steiger, ankerplaats of terras twee Britten die elkaar voor het eerst ontmoetten, beleefdheden horen uitwisselen; een laatste beklemtoonde lettergreep in een zinnetje gaat een octaaf omhoog, een onbeklemtoonde navenant omlaag. Het is allemaal zo verschrikkelijk lief en defensief, dat ik de neiging heb om te vragen: Mag ik een emmertje?
Ik hóór ze bij wijze van spreken bij thuiskomst al tegen hun wederhelft uitvaren: Wat een ongelooflijke eikel ik nóu toch heb leren kennen, zeg…!

Wie ben jij dan wel, zal u vragen, om zo ostentatief voorbij te gaan aan het in de zoogdierwereld in miljoenen jaren geëvolueerde kennismakingsritueel?
Een asociale lul! Maar dat had ik geloof ik al gezegd…
Nee, maar… ik vlei me nu eenmaal met de gedachte dat ik in één oogopslag kan zien of iemand een potentiële vriend is, aan zijn of haar… ehh, oogopslag; zo iemand zou ik in de Kalverstraat-op-zaterdag er nog uitpikken…
Ja, dááág, hoor ik u zeggen, dat is in negen van de tien gevallen grif een selffulfilling prophecy!
Niet helemaal waar, want simulanten kunnen wel degelijk in tweede instantie alsnog door de mand vallen; aan de handdruk voelt men namelijk onvermijdelijk wat voor vlees men in de kuip heeft…

Ik stel me zo voor, dat vele oud-collega’s zich soms nog afvragen waarom deze halve zool altijd met uitgestoken hand op ze afkwam wanneer we elkaar toevallig in de wandelgangen tegenkwamen. Dat was mijn manier om in een oogwenk vast te stellen of iemand goed in zijn vel zat of niet. Het overgrote deel zat dat; soms ook niet – even in de kieren houden!

Bij wijze van lakmoesproef vuur ik op zeker moment een ironische opmerking af op een nieuweling
Wordt de goedmoedige spot met gelijke munt terugbetaald, dan is dat voor mij een teken dat een zekere band nog geenszins uitgesloten mag worden – de kiem is er! Wordt daarentegen na mijn speldenprik de Kalashnikov meteen uit de kontzak getrokken, dan is voor mij de kous af…

Dat deze zeer oppervlakkige manier van mensen monsteren mij door de bank het stempel oplevert, een asociale lul te zijn, daar kan ik zoals gezegd steeds minder mee zitten. Sterker nog, ik denk dat mensen er met die kwalificatie niet zo gek ver naast zitten.
Heel lieve mensen zullen mijn afstandelijkheid nog willen goedpraten met “een vorm van zelfbescherming, joh, omdat die gentle giant in wezen een heel klein hartje heeft en geen nee kan zeggen”. Hahaha!

Nou ja, het is misschien wel zo dat ik voor diegenen die de lakmoesproef doorstaan hebben, het meest argeloze slachtoffer ben dat denkbaar is, als het gaat om list en bedrog…
Echter, dat lukt ze maar één keer! WOEHAHAHA-HAAAAA….
Hè?
Nou, goed dan, soms twee keer!
Drie!?
Ja, dáááág…