[vervolg op “Stuitligging”]
Of ‘t zeer doet!?
Alleen als ik lach, mijn lief!
De woorden komen moeizaam en ik houd de ogen ten hemel geslagen, alsof ik ‘t tegen niemand in ‘t biezonder heb.
En nu!?
Kijk, dáár houd ik van, een praktische instelling.
Nou… een touw of zo, opper ik voorzichtig.
Waar haal ik zo gauw een touw vandaan?
Nou, je vangt eerst een schaap; die ga je scheren en dan… Ja, hoe moet ík dat weten, ta… auwauwauwww!
Nou, zeg! Rústig maar!
Ze heeft gelijk natuurlijk; me opwinden heeft geen zin. Bovendien bevind ik me in een nogal afhankelijke positie; vriendelijk blijven is het parool. Aansturen op een echtbreuk is beslist niet handig nu.
Ik ben zo terug! Blijf jij hier!
Kalm, houd ik mezelf voor, even niet lachen nu!

Dat “hier blijven” is bij nader inzien nog niet eens een sinecure…
Het enige dat me ervan weerhoudt om verder af te glijden, zijn de zesduizend doornen die een soort anti-sliplaag vormen tegen mijn anti-aanbaklaag, alsmede mijn twee maatjes éénenvijftigeneenhalf waarvan de hakken angstvallig haken achter de berm van de onverharde weg, mijn enige contact met de beschaafde wereld. Gezien vanaf mijn sandalen, die als twee menhirs gebroederlijk langs de rand van het pad geposteerd staan, lig ik onbeweeglijk in een hoek van circa vijfenveertig graden, met het hoofd naar beneden en de armen gespreid, als een van zijn sokkel gedonderd jezusbeeld.
Wel een beetje een scabreus jezusbeeld, vrees ik, zo met de kurze Hose op de enkels en het bloesje opgestroopt tot onder de oksels; de associatie met een gekruisigde Manneken Pis komt eerder.

Toch nog geluk gehad, tracht ik de moed erin te houden. Stel je toch eens voor, dat het afgebroken eind rechtop was blijven staan, ondersteund door een welwillende braamstruik of zo, dan had ik straks een rectaal ingebrachte wandelstok ten hospitale moeten laten verwijderen, vermoedelijk oraal: “Zeg eens AAAA, beste man! Ja, ik zie ‘m! Ik zie licht aan het eind van… Als jij nou van díe kant duwt, zuster, dan kan ik je straks een hand gev… ehh, er misschien net bij, bij die tak! Ja, ik heb ‘m! Nog een klein stukje! Ja, hij is eruit! Kijk nou toch eens hier; de wórtel zit er zelfs nog áán!” “Ehh, dokter, dat is… ehhh, míjn w-w-w…”
Daar is Maria terug, gelukkig! Mij te lang alleen laten met mijn oeverloze fantasie is niet echt goed voor het moreel!
Ze heeft een lange tak gevonden. Er zitten geen blaadjes aan. Ik leid daaruit af dat het om een dóde tak gaat. Een gráftak, zeg maar!
Ik heb het sinds kort niet zo op dergelijke takken… Kweenie!

Vraag me níet, om na te vertellen hóe! Maar… we spelen het klaar!
Of het geholpen heeft dat ik de Vader, de Zoon en de Heilige Geest ettelijke malen luidkeels aangeroepen heb, weet ik niet, maar na veel vijven en zessen staat deze triatleet weer rechtop.
Als ik naar de auto wil benen, ga ik overigens meteen weer gestrekt, want ik was effe vergeten dat ik de korte broek nog rond de welgevormde kuiten heb. Met alle opgekropte woede die in me is, schop ik het kleinood… het ravijn in, tussen de stekels.
Gelóóf me, dat was de bedoeling niet, staar ik mijn vrouw beteuterd aan, écht niet!
Ach, niet erg, vergoeilijkt ze, in de auto is wel een andere!
Mooi, ben ik meteen weer mijn sarcastische zelf, eentje met een áutosleutel erin!?

Ik vind steun aan het openstaande portier van onze Volf. Er hangt een badlaken overheen, teneinde te voorkomen dat mijn kleine aandachttrekker al te veel de… eh, aandacht trekt van het nog immer voorbijrazende verkeer. Een zware vrachtwagen met oplegger verschijnt huilend rond de bocht in de autoweg en raast voorbij. Ik check of mijn badlaken nog rechthangt. Ja hoor, keurig! Vanaf de hoofdweg kan men alleen mijn welvende borstpartij met daarboven mijn warhoofd ontwaren! En achter me… ach, achter me is het zandpad, stil en verlaten…
Ook achter me zit mijn vrouw, op de hurken, met engelengeduld bezig met het één voor één verwijderen van de zes miljoen splinters.
Doe m’n uien eerst even, wil je, moedig ik haar aan, wijl ik mijn benen welwillend iets wijder uiteenplant.
Mijn vrouw lijdt aan staar. Ik voel haar hete adem in m’n h…
Tuuttuuut!
Ik kijk over mijn schouder.
De boer kijkt vanaf zijn trekker terug, zonder een spier te vertrekken, alsof dit soort taferelen dagelijkse kost voor hem is. Zijn onverstoorbaar zwijgende blik is niettemin veelzeggend: Ik moet erlangs.