Vandaag las ik op FB het stukje dat oud-studiegenoot Bert, columnist bij de Volkskrant, gisteren plaatste…
Het ging over de verschillende opvattingen over geluk – zulks naar aanleiding van het World Happiness Report van de VN en de OECD. Ik had er nog nóóit van gehoord.

Moest meteen weer (nu we het toch over haar hebben) even denken aan mijn eerste vrouw; wij hadden daarover ook heel verschillende opvattingen, bedoel ik. Als ik bijvoorbeeld ‘s avonds in bed lag te luisteren naar de storm die rond het huis huilde en de regen die tegen het venster sloeg, dan kon me een gevoel van intense tevredenheid bekruipen: Wat hebben we het goed, hè!?
“Wat nou weer?”
Nou, een dak boven ons hoofd; ons buikje vol; warm en droog in ons mandje – wat wil een mens nog meer!? Denk eens aan al die volksstammen die…
“Ach vent, houd je mond! Ga slapen!”
Nee, wij waren wat dat betreft niet helemaal compatible, nee.

Nee, maar… dát noem ik dus geluk hebben, hè; dat ik een heel klein beetje de kunst versta van het grote in het kleine te kunnen zien. Voor een groot deel te danken aan (de genen van) mijn moeder – ere wie ere toekomt!

Men zal daarentegen maar zo in mekaar zitten dat men z’n geluk laat afhangen van één of twee tientjes meer in de maand! Of dat men denkt dat het alleen ginds te vinden is, bijvoorbeeld bovenop de apenrots! Of dat men zijn geluk laat afhangen van wat ánderen vinden, bijvoorbeeld familie, vrienden, de buren…!
Dán is men pas in de aap gelogeerd!