Nee, Volvobug, geen biggetjes die overreden worden. Was ‘t maar waar, zou ik haast willen zeggen, maar… dan krijg ik de Partij van de Dieren o.i.d. over me heen. Nee, met de drie biggetjes doelde ik eigenlijk op onszelf, als verzinnebeelding van onnozele halsjes die hulpeloos toekijken hoe De Grote Boze Volf de geldbuidel van ‘the biggest’ big leegslurpt…
Een minder geslaagde parabel misschien, omdat tenminste één van de drie biggetjes het een dooie rotzorg zal zijn, wat er met de centjes van dat grote spaarvarken gebeurt.
Je mag weer drie keer raden, wie van de drie!

Exatamente, CarolineB, het leed was nog lang niet geleden! Diezélfde morgen nog zouden we opnieuw bij de Urgência van het ziekenhuis in Beja belanden, circa zeventig kilometer verwijderd van ons kampement.
Maar ik zal bij het begin beginnen…
Lees [www.janblogger.eu] en… huiver!

We hadden nog een paar uur gepit, maar toen vond ik het toch tijd worden om onze Volf eens onderhanden te nemen…
Dat is voornamelijk verbáál onderhanden, want – zoals inmiddels genoegzaam bekend – ik heb het technische inzicht van een Golden Retriever (en het is niet mijn bedoeling iemand pijn te doen met die vergelijking).
Vermoedelijk door mijn aanhoudende startpogingen en dito gevloek had ik het panische hulpgeroep van mijn vrouw niet gehoord, totdat ze, bloedend als een rund, rond de openstaande motorkap kwam struikelen…

Wat was er gebeurd?
U moet weten, mijn vrouw is een zogenaamde hergebruiker. Hoe heet dat in goed Nederlands?
Recycler, ja! Precies!
Die levenshouding leidt er onder meer toe, dat onze wekelijkse afvalproductie met gemak in een theezakje past. Zo zijn bijvoorbeeld de stukjes worst en kaas welke bij het ontbijt overblijven, voor de poes. Aangezien onze poezen evenwel bij het luie vark… ehh, onze dochter thuis waren achtergebleven, zou men verwachten dat de restjes voor deze ene keer in de afvalzak…?
Niks, hoor!
Gindse wolfshond, een rechtstreekse afstammeling van Tyrannosaurus Rex, die aan een lange ketting – een té lange ketting, naar dra zou blijken – lag, en door de “guarda” op een vitaminerijk dieet van twee doperwtjes per dag en drie druppels water gehouden werd, lustte vast wel een mals velletje…
Welnu, dát was een feit!

Hap uit de dij, hap uit de rug, maar de verwondingen aan haar rechterhand waren het ergste!
Dáár had de rotzak dwars doorheen gebeten!
Goede raad was duur! Uit pure frustratie gaf ik onze Volf een rotschop. Maar het hele hondenras met wortel en tak uitroeien was van later zorg, éérst diende het bloeden gestelpt!
Maar… waarméé?
Neemt men een verbandtrommel mee, als men gaat kamperen?
Een béétje verantwoordelijke kampeerder wél, natuurlijk! Deze jongen voldoet evenwel niet aan dat profiel. Ik had geen verband, laat staan… hoe heet dat water nog maar weer?
Oxigenada!
Dankjewel, lieverd, ‘água oxigenada’, ja!
Dat had ik dus niet.
Derhalve… op een drafje, met mijn vrouw in mijn armen, naar de “guarda”.

De deur van het guardahuisje stond open, maar… géén “guarda”…
Volgens mijn vrouw had hij het incident op een afstandje gevolgd en had ie zich nu verstopt.
Ik herinnerde me mijn nachtelijke woordenwisseling met hem en riep ongelovig: Wat ís dat in godsnaam voor onmens?
We vonden hem in zijn moestuintje, verschanst achter een meloen. Mijn hoffelijkheid kent zo zijn grenzen, dus blafte ik hem nu in korte bevelen toe welke spullen ik nodig had…
Hij gehoorzaamde braaf.

Maar het bloeden was niet te stelpen, dus zei ik tegen mijn vrouw dat ze haar arm omhoog moest houden, en beval ik de “guarda” om een ambulance te bellen. Twéémaal een ambulance moeten bellen, op één en dezélfde mórgen, het is toch godverdomme niet te gelóv…!
Wat is het nummer, klonk het blatend.
Was dat dezelfde man die mij die ochtend onverschillig vanuit de bedstee had toegesnauwd: Bel 112 maar?
Was mijn antwoord aan hem nu een ietsepietsje scherper geweest, het had hem glad de strot afgesneden.
Hij belde braaf het alarmnummer…