Pedro beweerde weliswaar dat hij uit Puebla de Guzmán afkomstig was, maar ik doorzag hem alras: “Ik loek jou wel, Pedro, jij bent een engel die recht uit de hemel is komen vallen!”

Wat díe man niet allemaal voor ons gedáán heeft, dat steekt niet zo nauw! En absoluut níets willen hebben natuurlijk, zeggende: “Ben je mal!? Ik hoop dat er ooit iemand voor mij klaarstaat, als ík het nodig heb!”
Wat een kerel!
Hij is niet van onze zijde geweken, heeft zijn mobiele telefoon –tig keren belangeloos aangeboden (want ondergetekende oetlul had kortelings zijn contract gewijzigd, omdat dat… eh, goedkóper was, en stond onnozel te koekeloeren tussen het zieltogende Spaanse graan, dat niet van zins leek de orkaan te doorstaan, met twee niet-werkende telefoons in zijn kouwe klauwe), heeft ons in zijn wagen naar Villanueva de los Castillejos gereden, toen de Guardia Civil ons verplicht had om voor het eerste stukje een door hen opgeroepen flat-bed indiaan in de arm te nemen omdat de sleepdienst uit Portugal nogal op zich liet wachten, wilde – aldaar aangeland – zelfs geen kopje koffie van me aannemen en heeft tenslotte mijn vrouw, inclusief boodschappen, naar ons huis in Portugal gereden, een goede 25 kilometer verderop, terwijl ik met holle ogen bleef uitzien naar onze vaste flat-bed vervoerder uit Mértola. En, dat alles in noodweer…

Het regent hier sinds de laatste – pak ‘m beet! – zes miljoen jaar niet of nauwelijks, maar sta je schaars gekleed in een groen reflecterend hesje met je goede fatsoen, kromme tenen én panne langs de kant van één van de zuidelijkste autowegen van Europa, dan gaat ’t vanzelf zachtjes regenen.
Het goede nieuws is dat het spoedig ophield met zachtjes regenen; het slechte, dat de hemelsluizen zich vervolgens openden.
Hee, Pedro, amigo… koud, hè!?

Toen het nog zachtjes regende, maar al wel snel begon te donkeren, wilde ik voor het te laat was toch eens even onderzoeken, wat er met het wiel was gebeurd dat ons met een slordige honderd kilometer per uur aangerand had.
“Aangerand” was inderdaad het woord, want, zoals ik het zag, had het wiel de neus van onze Volf weggeslagen en was vervolgens frontaal op ons linkervoorwiel geklapt, dat nu haaks en schuin, met geëxplodeerde band, onder onze neuzen – die van mij en die van Volf – op het wegdek lag te sterven.
Met mijn nietsontziende arendsoog spiedde ik naar genezijde van de autoweg: Waar was het onding in godsnaam gebleven!?
Rotsblokken, niets dan grote stenen en rotsblokken vielen op mijn retina… ehh, bij wijze van spreken. Maar, het was toch niet een rótsblok geweest!?
What goes up, must come down! Spinnin’ wheel… enzovoorts.

Zo’n vijf meter van de weg af stond een hoog hek, aan de bovenkant teder afgeborduurd met prikkeldraad. Achter dat hek vond ik na enig zoeken de boosdoener, lui achterover liggend in het gras – ík had het wíel gevonden!
Ware het hek er niet geweest, dan was het wiel vermoedelijk voorgoed verdwenen… over the hills and far away… en was ondergetekende tot in lengte van dagen nagewezen omdat ie ze naar verluidt ziet vliegen…

Maar hoe was de rekel in vredesnaam aan díe kant van het hek geraakt!?
Ik drentelde een vijftal meters terug en vond een gapend gat in de afrastering – dáár was ie doorheengeslagen alvorens zijn kinetische energie definitief te verliezen…
Als ik tekortschiet in mijn uitleg, razorx, moet je ’t maar zeggen!