‘t Gaat slechts voor een paar dagen zijn, ons uitstapje naar Lissabon. Toch wordt bij zo’n gelegenheid niets aan het toeval overgelaten. Niet alleen worden alle stekkers uit het stopcontact getrokken en de gasfles zekerheidshalve losgekoppeld; de toevallige toeschouwer zou bovendien licht de indruk kunnen krijgen dat we op een goudmijn wonen. Voetje voor voetje achteruitschuifelend trekken we langzaam het net dicht; ramen worden gesloten en drie keer gecontroleerd, valbijlen en dito luiken worden één voor één op scherp gesteld en we sluiten het geheel passend af met een ferm klinkend hangslotakkoord op de achterdeur…
Zo, knappe jongen die deze casa portuguesa de komende dagen weet binnen te dringen en het gaat kunnen navertellen – dat moet wel een meesterinbreker zijn!

Het zwerfkatje dat bij onze thuiskomst van honger knorrend bij de achterdeur steunzoekt aan mijn kuiten teneinde niet van ellende om te vallen, terwijl ik intussen grendels losvloek en booby-traps ontwijk, laat ik, nadat het zich in onze keuken aan brekkies en melk gelaafd heeft, via de voordeur weer uit. En dan zie ik ‘t…
De sleutel steekt nog in de deur – en wel, aan de buitenkant!