Ikzelf was kennelijk niet genoeg van god los, om van de keuze die mijn ouders me lieten om een openbare school te bezoeken, gebruik te maken. Ik geef onmiddellijk toe dat dat pure gemakzucht mijnerzijds was. Wij woonden namelijk aan de zuidkant van de stad en het treinstation lag aan de noordkant. En om nu elke dag naar het station te moeten fietsen, daarna met de trein naar de volgende stad te reizen en daar aangekomen nog eens weer op de fiets te klauteren naar school toe, dat was me net ietsje teveel moeite om God te ontlopen. Voor mij was het plaatselijke christelijk gymnasium goed genoeg; slechts vijf minuten fietsen namelijk. Ik zorgde er wel voor dat ik ‘s ochtends de zaak zo timede dat ik ná bijbellezen en gebed het klaslokaal binnenstruikelde.

Ik vermoed dat mijn keuze mijn ouders redelijk onverschillig liet. Dat gold niet voor een fors aantal mijner klasgenoten, woonachtig in een verre “bible belt”. Hun was door hun ouders niet eens de keuze gelaten. Zij moesten voor dag en dauw op de fiets naar de bushalte, met de bus aangekomen in de stad-met-openbare-school, op de trein stappen teneinde verder te reizen naar onze woonplaats en daar aangekomen op de fiets naar school; in het voorjaar appeltje-eitje, maar in de winter… mijn god!
In mijn ogen was dat een fraai staaltje van godsdienstwaanzin; niet van die klasgenoten, maar van hun rabiate ouders.