Nu, jaren later, denkt Linda nog wel eens terug aan die eerste dagen van haar weduwse staat. Dat zijn niet per se haar gelukkigste momenten…

Op de ochtend van de dag na de begrafenis van haar man bijvoorbeeld legde haar schoonzoon een bemoedigende hand op haar schouder, keek haar ernstig in de ogen en sprak met plechtige stem: Vanavond gaan we uit!
Ze was nou niet bepaald in de stemming geweest om uit te gaan in die voor haar zo donkere dagen. Echter, ze had heel goed begrepen dat haar dochter en dier echtgenoot óók verdriet hadden – ofschoon ze er verrassend goed in slaagden dat te verbergen, vond ze; dat wel – en dat hun hart naar haar uitging. Dat ze haar een verzetje wilden bezorgen, daar kon ze dus wel inkomen en ze had dan ook besloten geen spelbreker te zijn en haar beste beentje voor te zetten.

Ze krulde haar haren en trok haar mooiste jurkje aan.
Haar dochter had haar met spotlichtjes in de ogen in de loop van de dag enkele malen een eigenaardige blik toegeworpen. Ze wist wel, haar dochter hield niet van uiterlijkheden. Voor Lurdes geen poespas; een spijkerbroek en een T-shirt was meer dan voldoende.

Afijn, toen haar schoonzoon thuisgekomen was uit zijn werk, was Linda als om door een ringetje te halen geweest, er helemaal klaar voor. Hij had een snelle douche genomen, zich omgekleed en Lurdes had een schoon T-shirt uit de droogtrommel getrokken en aangeschoten.
Mam, had ze langs haar neus weg gezegd, ik weet niet hoe laat het wordt, maar er staat wel van alles in de koelkast.

Nog voordat ze van haar verbouwereerdheid bekomen was geweest, had Linda de voordeur met een droge klik in het slot horen vallen.
Daar had ze gezeten, met haar geverfde lipjes en haar glimmende naaldhakjes, op de bank, met aan weerszijden die twee loeders van honden, waarvan ze altijd een beetje bang was geweest…