Ongelooflijk veel geluk gehad vandaag…
Gisteren had ik hard mijn kop gestoten, tegen de punt van de laadklep van onze Volf. Dus toen ik vanochtend mijn fietshelm opzette, deed ik dat héél voorzichtig.

Echter, toen deze Adelaar van Toledo… ehh, Kleiduif van Oude-Pekela jodelend in een steile afdaling zat, “schepte” hij nietsvermoedend twee eveneens nietsvermoedende, copulerende wespen in één van de gaten van zijn helm.
Tja, wespen schijnen dat te doen in mid-air… luchtshowtje of zo! Ik zou anders ook niet weten waarom het er twee tegelijk waren die zich voor hetzelfde gat lieten vangen.
Dat het er twee waren, had ik overigens niet meteen in de… eh, gaten. Ik voelde alleen wat zoemen in mijn spaarzame hoofdhaar. Dus zónder erbij na te denken gaf ik mezelf een ongelooflijke ram voor mijn harses.
De idee was om de indringer (ik verkeerde op dat moment nog in de veronderstelling dat het er één was) met een welgemikte “kopstoot” te pletten tussen binnenkant helm en buitenkant schedel. Ik was natuurlijk de onzachte aanvaring met de laadklep van onze Volf effe glad vergeten…
Góóódverdomme, wat deed dát zeer!
Tegelijkertijd besloot de wesp tot tegenmaatregelen en stak me middenin mijn gemaltraiteerde buil. Mijn gejodel ging terstond een octaaf omhoog!
Met opgestoken middelvinger probeerde ik het stekebeest voorzichtigjes uit zijn zojuist betrokken holletje te kietelen…

Ja, waarom doet men zulks?
Als kleine jongens verzekerden we elkaar met vlammend oog dat een wesp (of bij… dát weet ik niet meer) onmiddellijk sterft nadat hij je gestoken heeft. Dat van dat sterven hadden we er omwille van het drama vermoedelijk ter plekke bij verzonnen, maar dat ie ná eenmaal toegeslagen te hebben ongewápend was, ja, dát wisten we zeker!

Vandaar dat ik nu doodbedaard met een vinger in het middelste gat van mijn fietshelm zat te poeren…
Mijn gewroet werd meteen “beloond” met een tweede steek op precies dezelfde plek! Ik begon nu gevaarlijk te slingeren en gek van de pijn sloeg ik beide handen aan de remmen teneinde mijn rijwiel tot stilstand te brengen langs de kant van de weg. Voorzichtig ontgespte ik de kinband en met gebogen hoofd tokkelde ik behoedzaam met de vingertoppen tussen mijn haren…
Daar tuimelden ze op het asfalt… niet één, niet twéé, maar DRIE wespen. Een triootje dus!

Dríe wespen en maar twéé keer gestoken… kijk, dát noem ik nog eens geluk hebben!