Ik weet niet of ‘t met dit seizoen te maken heeft, waarin warmte, geborgenheid en liefde de terugkerende thema’s zijn, maar in deze zogenaamde “donkere dagen” van het jaar dringt de herinnering aan mijn moeder zich nadrukkelijker op dan anders…

Een bijzondere vrouw!
En dat komt, denk ik, niet alleen vanwege de onvoorwaardelijke liefde, die ieder mens – als het goed is! – zich zo goed herinnert van zijn eigen moeder, maar vooral ook door de levenskunst van de mijne, haar relatie tot de wereld, tot het leven, tot haar medemens…
Wablief?
Nee, niks geen gemeenplaatsen als “Vrede op aarde!” en “Geen honger meer!”; dat is kretologie voor Miss-verkiezingen! Nee, het bijzondere zat ‘m juist in haar oog voor het kleine, in haar waardering voor een mooie huisdeur bijvoorbeeld… wat zeg ik?… voor een mooie huisdeurknóp; haar oog voor het vakmanschap… de liefde waarmee die vervaardigd was. Haar grootste gift zit ‘m erin dat ze mij – en ik vermoed, ook mijn broers en zuster – geleerd heeft, de wereld om ons heen door háár ogen te zien…
Jazeker, ik realiseer me dat er azijnpissers zijn die ons – en de onzen – verwijten dat we de wereld en de medemens bekijken met een onrealistische blik, door een rose-rode bril, maar… wees nou eerlijk!… die mensen hebben het niet begrepen… toch!?… en zúllen het, vrees ik, nooit begrijpen ook. Ze missen de vaardigheid, de kunde… in één woord, de levenskunst!

Het duurde destijds even, vóórdat ik het begreep, het door mijn tranen heen kon ontwaren: Mijn moeder ís helemaal niet dood! Ben je gek, man!? Ze lééft, in ieder van ons!