Bij mij begon het allemaal met een benauwende droom…

Ik zoefde – voeten eerst, alsof ik opgebaard lag – door het heelal in de richting van de zon. Vervolgens ontdekte ik dat ik niet door de ruimte vloog, maar door een nauwe tunnel, een soort pijplijn. En aangezien ik een lichte vorm van claustrofobie heb, werd ik badend in het zweet en naar adem snakkend wakker…
Hoe ik er zo bijkwam, weet ik niet meer, maar voor mij stond meteen als een paal boven water dat die droom mijn levensloop verzinnebeeldde, in een rechte lijn van de wieg tot het graf, ingesnoerd in een buis…
Wat zegt u?
Een dwángbuis, ja! Haha!

Zodra ik die morgen op kantoor kwam, liep ik linea recta door naar de kamer van de directeur om hem mijn congé te geven…
Wel een beetje drastisch, zegt u? Tja, men gooit het roer om of niet!
Na drie keer stuiteren, nadat ie van z’n stoel gevallen was, klaarde het gezicht van meneer de directeur opeens op, alsof het kwartje eindelijk gevallen was.
– Aha, ik snap ‘t al! Jij hebt een beter aanbod gekregen, rekel!
– Welnee, kerel! Als dat zo was, zou ik dat toch gewoon zéggen! Ken je me zó slecht?

Mocht ik al heel even gedacht hebben dat het lot “maakbaar” is, dan overtuigde het universum me op tamelijk smakeloze wijze van het tegendeel…
Mijn ouders stierven kort na elkaar na een langdurig ziekbed en tussen de bedrijven door ruilde mijn vrouw me in voor een collega. En ook al had ik heel snel besloten wat ik níet wilde, bedenken wat men dan wél wil… tja, dát is nog een ander sjapiter!