Dáár zat ik dan en… ik voelde twijfel…

Vooral wanneer op zondagavond de vloot binnenliep. Ik zag brave huisvaders kinderen, lege en blonde dozen in de auto keilen, teneinde terug te keren naar vaste baan en dito lasten.
Had ik, die alle huizen achter zich verbrand had en die moederziel alleen achterbleef in de ontzielde haven, biertje in de onvaste hand, misschien als énige het allemaal verkeerd begrepen? Was ik soms… ehh, gék geworden?

Mijn twijfel won nog aan kracht wanneer ‘s nachts de wind door het want kwam huilen…
Op een stormachtige ochtend riep een vinnige tik op het voordek me bij mijn warme kacheltje vandaan. De havenmeester!
Wanneer ik eindelijk eens opzoutte?
Toen ik hem aarzelend wees op de storm buiten, spoog hij verachtelijk in het ziedende water.
– Zeuventje!
Zeven? Doelde hij op de windkracht of… op het aantal kleuren in mijn broek?

– Ik word al zeeziek op een pannenkoekschip, bekende een ex-collega die me ten afscheid de hand kwam drukken.
Aha, bij hém zouden mijn twijfels vast en zeker vaste grond onder de voeten vinden…
Maar de man sneed al mijn terugtrekkende bewegingen onverbiddelijk af door me met onverholen bewondering aan te kijken…
– Maar jij… dóet het toch maar!
Ik worstelde een ontspannen glimlach tevoorschijn. Hij had tenslotte gelijk: ik had a gezegd, nu moest ik ook… b-b-b-bwèèèèèh… moedèèèèèèr!!!