Hè, wat voelt dat goed, zeg!
Op een windkrachtje drie schiet ik met een knoopje of vijf over een vlakke zee.
Aan het einde van mijn kielzog zie ik de kale rots (met het koddige puntje ervoor) vervagen.
Werner heeft me vanmiddag om een uur of vier uitgezwaaid. Werner is een Oost-Duitse jood. Een Ossie, zegt hijzelf.
Werner is schrijver, Schriftsteller über das Leben.
We hebben een prachtige dag gehad op Helgoland, dat in mediterrane omstandigheden baadt. We hebben een koele dunkle Weissbier genoten met uitzicht over een fonkelend blauwe zee. We hebben goedkope diesel en goedkope drank ingeslagen en door stille straatjes geslenterd. Wacht maar, zei Werner grimmig, totdat de witte boten komen straks. Dán wordt het druk.
Ein anständiger Mensch!

Het is een troost dat ik al twee prachtmensen tegengekomen ben, die me het geloof teruggegeven hebben dat wijsheid en goedheid wel degelijk tot de mogelijkheden behoren. Ik bedoel, er is nog hoop voor me. Of beter, weer hoop.

Ik zal Werners aanwezigheid nog lang voelen; rare gewaarwording als je toch écht alleen bent. Ook mijn ouders lijken op een of andere manier nadrukkelijker aanwezig dan anders.
Ja, ik weet dat ze dood zijn, maar… in de géést aanwezig, bedoel ik.
Ironisch eigenlijk, dat ik me onder de mensen altijd volmaakt alleen voelde en dat het midden op de Noordzee stampvol is aan boord.