Kolere, de windmeter geeft nu 28 knotsjes aan. Dat is windkracht 7, als ik me niet vergis.
Geen probleem. Het voorzeil, dat vooraf aan het steken van het rif al een stuk was ingerold, rol ik nu helemaal weg en ik ontrol mijn kotterfok, even groot als een flinke zakdoek…
Maar dát schiet niet op!
De snelheid zakt tot onder vijf knopen. Ik heb uit de losse pols berekend dat ik met een snelheid van vijf knopen om een uur of negen in Kristiansand aankom en ik ben eigenlijk niet van plan om het veel later te maken.
Kortom, kotterfok ingerold en genuazeil weer uit. Maar een beetje minder ver dan zopas.
Kijk! Ruim zes knopen op het klokje. Dát zijn berichten!
Intussen beginnen de golven aardig op te lopen en het flushdeck doet zijn naam eer aan.
Zo knotsen we samen over de wilde baren.
Op het ritme van de kookwekker steek ik elk kwartier mijn hoofd boven de buiskap en spied in de rondte.
Geen scheepvaart vandaag.
Wat is dát?
Ah, een vissersboot. Tóch scheepvaart dus. Tjonge, wat gaat die tekeer, zeg, op die golven. Kun je toch maar beter op een zeilboot zitten, vind ik.
De windmeter registreert een uitschieter van 33 knotsen. Is dat niet windkrachtje acht? Waarom geeft de Navtex geen windwaarschuwingen door? Kloteding!
Ithaka is bepaald niet óvertuigd, dus zij kán wat hebben. Maar misschien moet ik me stilaan gaan gorden tot een nieuwe strijd op het voordek, want een tweede rif steken is geen sinecure met overkomende zeeën. Ithaka stampt op de golven als een hengstig zeepaardje.
Eerst maar een ruimere koers gaan voorliggen!
Dat geeft ook ruimere mogelijkheden om zonder botbreuken zeilpak en harnas aan te trekken. Want, ongelooflijk misschien, maar ik zit nog gewoon in lange broek en trui. Als ik rechtop sta – wat ik graag doe, teneinde als een soort rodeoster op de golven mee te deinen – moet ik op tijd wegduiken achter de buiskap, als een hoge golf bovenlangs wil passeren.

Ik kom buiten adem terug in de kuip, maar tevreden.
Goedendag, dat is werken! Maar ik heb het geflikt.
Deze keer had ik mezelf met mijn harnas aan de mast vastgezet tijdens de werkzaamheden.
Kraanlijntje doorgezet, valletje gevierd, halshoek van het tweede rif vastzetten, schoothoek doorzetten, grootzeilval aan, loskoppelen en langs de lijflijn terugkruipen naar de kuip.
Grootschoot doorzetten en klaar!
Shit! Vergeten om de kraanlijn op te vieren!
Terug!
Halverwege het gangboord krult er een torenhoge golf over me heen. Klabam!!!
Ik trek de capuchon die me van het hoofd is gerukt, terug omhoog. Ongeveer een liter water vindt zijn weg via nek, rug en oksels naar mijn buik en kruis.

Missie vervuld. Die ontmoeting onderweg was niet gepland, maar het frist wel op.
Zo, de fok is nu bijna in zijn geheel weggerold en qua grootzeil staat er ook haast niets meer. Wat is dat? Zeseneenhalve knoop?
Niet slecht, Ithaka! En ze beweegt rustiger op de zeeën.
Ik kan wel wat scherper gaan varen. Zo kan ik Kristiansand toch nog in een keer aansnijden! Was dat 38 knopen op de windmeter of zinsbegoocheling?
Even in de gaten houden!
Veertig?
Werkelijk, dit is niet leuk meer! ’t Moet nu wel een keertje ophouden!
Het anker heeft zich losgewerkt en is begonnen aan een kaalslag op het voordek.
Werk aan de winkel!

Land in zicht!
De Noorse kust! Nu al? Voortaan toch iets minder slordig mijn berekeningen doen!
Maar beter zo dan omgekeerd. Ik nader liever bij daglicht een onbekende kust dan bij nacht. Ik heb me nog niet gerealiseerd dat op deze breedten nacht slechts een begrip is. Tenminste, eind juni.
Ik word intussen heen en weer geslingerd, alsof ik in een achtbaan zit.
Nog een geluk dat deze storm zo plotseling kwam opzetten, anders waren de golven helemaal niet te overzien geweest. Maar dan had ik waarschijnlijk deze oversteek ook niet gemaakt.
Intussen verkiest elke tweede golf de bovendekse passage. Het mag een wonder heten, dat mijn broer daar nog zo rustig op het kajuitdak ligt, terwijl hij – leunend op de ellebogen – de aanstormende kust tegemoet glundert.
Hal-lo, wak-ker wor-den! Je broer? Je bent alléén, flimflam!
Wat is dat voor flauwekul? Dat ik nooit alleen ben!
Wilde Werners aanwezigheid-in-de-geest eerst niet van wijken weten, daarna had ik beurtelings mijn vader en mijn moeder aan boord en nu zou mijn oudste broer daar liggen te knikkebollen?
Dat is niet je broer, dombo! Als je goed kijkt, zie je dat het je bijboot is, die in zijn opbergtas op de kajuit ligt vastgesjord.
Oh ja, nu zie ik het ook. Merkwaardig.
Zou dat la condition humaine zijn? Dat vrienden en familie je in het bloed gaan zitten? En dat je, al zou je willen, nooit echt alleen bent?
Of moet ik gewoon nog wennen?