“Onze” dochter en ik gaan als een speer, mag ik wel zeggen. Men is tenslotte nooit te oud om te leren. En van haar kan ik nog heel veel leren…

Oud-studiegenoten die ik naderhand nog wel eens opzocht, hadden me al op het hart gedrukt dat men begint te veranderen vanaf het moment dat men kinderen krijgt…
Wat is er met jou aan de hand, riep ik bijvoorbeeld ontsteld tegen een oude strijdmakker, vroeger was je zo fanatiek… Che Guevarra mocht nog niet eens naar je veters kíjken. En nú…, Tsjee Minee!
Ach, ja, werd ik dan met een minzame glimlach op afstand gehouden, men wordt milder, hè, toegeeflijker ook! Kínderen, zie je!?

Ik zag helemaal niets, afgezien van iemand die wel wat weg had van een zombie, rond het middaguur en in de volle zon… Bovendien had ik helemaal niets met kinderen, geen tijd en geen geduld, dus…
Leuk je weer eens gesproken te hebben! Moeten we vaker doen! Laten we zeggen, zo rond de volgende ijstijd!

Op een goede dag, niet zo gek lang geleden, wordt er aan de deur geklopt…
Ik doe open en ontwaar een – pak ‘m beet! – tachtig-, negentigjarige, súperslanke – om niet te zeggen, uitgemergelde – vrouw op de stoep, een vers sigaretje nonchalant in de mondhoek, biertje in de ene hand, in de andere The New iPad.
Kras wijffie, denk ik nog bij me eige.
Zegt het gratenpakhuis: Hai, pap!

U zal het geloven of niet, maar deze jongen stond even met de mond vol tanden, kon geen “pap” meer zeggen…
Ik heb in- noch onderkomen, miauwde ze…
En geen vóórkomen bovendien, vulde ik – bij me eige wederom – aan.
… mag ik binnenkomen!?

Normaliter huldig ik het standpunt, dat er alleen vrijgevige altruïsten over de vloer mogen komen die ik meen te herkennen uit de laatste Quote500. Ik moet helaas toegeven dat diegenen die ik op die manier gastvrij binnennoodde in mijn nederige stulp, tot nu toe stuk voor stuk na ettelijke versnaperingen ontmaskerd werden als wel heel vage kennissen die me die ochtend ongezien betrapt hadden op de aanschaf van een vers kratje bier.

Maar ja, wat doet men in een geval als dit? De deur terug in het slot gooien en de politie bellen?
Het is wél je bloedeigen kind, dat daar staat! Nou ja, “bloedeigen”…
Toe, laat haar nou binnen, lieverd, kietelde mijn vrouw me met het broodmes in de rug.
Opeens herinnerde ik me de woorden van mijn voormalige studievrienden en sprak mild en toegeeflijk: Treed binnen, o vreemdeling!
Heb je een vuurtje voor me, pap?
Genoeg toegeeflijk- en mildheid voor één dag…
ERUIT!!! In dít huis wordt NIET gerookt!

Mijn lessen in mild- en toegeeflijkheid beginnen doorgaans bij het ontbijt…
Eerst ruim ik ’s ochtends demonstratief luidruchtig de afwasmachine uit. Luidruchtig, omdat ik dochterlief de vorige avond gevraagd heb om zich even tijdens haar nachtelijke filmsessies van de sofa te verheffen teneinde de vaatwasser uit te schakelen. Dat doet ze dan ook braaf… als ze het niet vergeet. Maar om in één moeite door éigener beweging (want, ongevraagd) de afwasmachine úit te ruimen… dáármee verwacht men toch een weinig teveel eigen initiatief.
Toch blijf ik – tegen beter weten in uiteraard – hopen, dat ooit het kwartje valt. Hoop doet leven, nietwaar!?

Afijn, nadat ik de vaatwasser dus uitgeruimd, het brood gezaagd, de worst gesneden, de tafel gedekt en koffie gezet heb, schuift ze doorgaans regelrecht vanuit haar bed aan tafel, maar met een gezicht alsof haar het grootst mogelijke onrecht aangedaan wordt…
Doorgaans speelt deze klucht zich af zo rond een uur of negen. Maar als het drie uur ’s middags zou zijn, zou het niet anders gaan; ze staat eerst op wanneer de koffie op tafel staat, geen seconde eerder. Met andere woorden, ze moet het gehoor van een vleermuis hebben…

O ja, dat heb ik misschien nog niet verteld…
Die nachtelijke sessies van haar zijn gericht op het bekijken van films en series over… VAMPIERS, als u dat wat zegt. Mijzelf boeit zulks absoluut niet… menselijke vleermuizen die ONSTERFELIJK zijn, doch niettemin – ja, ik vind zo’n tegenstrijdigheid te belachelijk voor woorden – in hun LEVENSONDERHOUD moeten voorzien met menselijk bloed. Misschien heeft ze het – bedenki ik nu – dáárom wel gemunt op het bloed onder mijn nagels!

Afijn, mijn vrouw en ik die gewoon waren om tijdens het ontbijt lustig te kwetteren over de dingen van de dag, houden tegenwoordig onze mond. Onze vampier weet de stemming namelijk met haar aanwezigheid en voorkomen dusdanig dicht bij het vriespunt te brengen, dat het opeens best een geinig en aanlokkelijk idee lijkt om harikiri te plegen. Bovendien doet haar gesmak, ook zo’n oer-Portugese gewoonte, het servies op tafel rinkelen.
Met andere woorden, een gesprek valt er alleen nog te voeren in gebarentaal, of met rooksignalen, ware het niet dat er in mijn huis NIET… afijn.

Ik heb u – meen ik – al verteld dat ik het brood tegenwoordig zó dun afzaag, dat zelfs Andrea Boccelli erdoorheen de krant nog wel kan lezen en óók dat dochterlief desondanks met chirurgische precisie de korstjes van het brood afsnijdt. Ja toch?
Wel, houdt dat beeld even vast, want die chirurgische precisie moet u letterlijk nemen… ze hanteert mes en vork namelijk alsof het scalpels zijn…

Mijn vrouw is een ware keukenprinses; ze tovert iedere dag weer een culinair meesterwerk op tafel dat door mij luidkeels bejubeld wordt en… verorberd.
De doodenkele keer dat dochterlief niets negatiefs op of aan te merken heeft, zegt ze… helemaal niets. Niettemin wordt elke rijstkorrel en elke doperwt uiterst zorgvuldig tussen de punten van haar scalpels gevat en van alle kanten bekeken of er misschien massaverníetigingswapens onder of achter schuilgaan.
We proberen je niet te vergiftigen, hoor, kan ik op zulke momenten niet nalaten te mompelen.
Niet helemaal waar overigens, want de gedachte komt onwillekeurig een paar keer per jaar – zeg, een keer of 365 – bij me op.

Kortom, lieve mensen, het gaat me een jaar of dertig van mijn leven kosten, maar u hoort: ik ben een modelleerling… als het gaat om mild- en toegeeflijkheid.
Nee, mijn dochter en ik, wij gaan… als een speer!

12/11