Ik zie ‘m nog zitten, op een stoel naast z’n bed, toen ik bij hem kwam in het ziekenhuis – een hoopje mens, dat met beverige hand de plaid over zijn knieën rechttrok. Het was net alsof ik de man voor het eerst zag…

Dat wás Superman helemaal niet! Dat wás niet die rots in de branding, waarop de golven des levens zich stuksloegen? Dat was niet de noeste eik, waarop weer noch wind vat leek te hebben en die nimmer boog, voor welke macht ook?

Ik, de eikel in dit verhaal (of Robin, si vous voulez), was als in mijn beweging bevroren blijven staan in de deuropening en… ik wist ‘t even niet meer…
Ik móest me vermannen, vóór hij me zou opmerken; een zwakheid, als de besluiteloosheid die mij zojuist bevangen had, was uit den boze.

Toen hij uiteindelijk opkeek, lichtten z’n ogen op…
Merkwaardig eigenlijk, dat ik die vreugde in zijn blik nooit eerder gezien had. Was ik altijd zo onopmerkzaam geweest?
Hoe is het met je, jongen?
Hè?
Ja, natuurlijk had hij die vraag in het verleden ook wel gesteld. Het verschil was… hij leek ’t te menen nu. Want, hij wachtte warempel op antwoord.
Haha, wat kregen we nou? Wat had dit alles te betekenen?

Kijk, die kanker moest natuurlijk een foutje van de artsen zijn; dat kan de beste overkomen, zo’n verkeerde diagnose! Maar, die grap had nu lang genoeg geduurd, vond ik.
Wat nou, “Hoe is het met je, jongen?”…
Hoe moest ik dat weten? Had ik soms geleerd om na te denken over zulke bagatellen?

Tot dat moment was ik onaantastbaar geweest, de held in mijn eigen comic book; die een beetje lacherig neerzag op de kneuterigheid om zich heen – de kleinzerige mensjes met hun kleinburgerlijke driftjes en verdrietjes.
Kom nou! Dat had deze jongen toch helemaal niet nódig!? Ik was beresterk en ik had dus écht niemand nodig; niets en niemendal! Echt niet! Ben je mal!?
Ik schepte er weliswaar groot behagen in om in mijn almacht en goedertierenheid al wie omgevallen was, weer rechtop te zetten, maar… ik verwachtte daarvoor niets terug. Immers, wie iets verwacht van anderen, maakt zichzelf kwetsbaar; dat had ik van mijn ouweheer geleerd. En dat mocht niet, kwetsbaar zijn – laat staan, kwetsbaarheid tonen!
Daar had deze jongen trouwens ook helemaal geen tijd voor, voor zulke onbenulligheden, druk als ik was met het categoriseren en alfabetiseren van de kenbare – én vanzelfsprekend maakbare – wereld om me heen, in de vaste overtuiging dat ik ooit het grote geheim zou ontsluieren, het ordenende principe, dat schuilging ergens in de coulissen. Soms zag ik een glimp ervan, soms lag het op het puntje van mijn tong; doch altijd danste het net voor het ontwaken weer weg, buiten het bereik van mijn grijpgrage bewustzijn, als ware het een Heilige Graal die voorbestemd was tot eeuwig dolen…

Ik tastte voor het juiste antwoord vruchteloos rond in de twee kuub gebakken lucht die mijn kostuum vulde en het vouwloos overeind hield…
Moest dat nou allemaal? Dacht hij nou echt dat hij me een dienst bewees, door me te dwingen tot een antwoord? Daar was ik toch helemaal niet op voorbereid? Waarom moest hij mij zonodig meesleuren, in zijn val vanuit het Walhalla? Wat viel dáár volgens hem nou eigenlijk helemaal te zoeken, in het stoffige rijk der stervelingen? Dat was immers terra incognita voor ons!

Afijn…
Om een lang verhaal kort te maken, het voelde alsof de godganse boekenkast, die ik zo nijver gevuld had (en op een oortje na gevild, hè!), zónder enige waarschuwing vooraf over me heen donderde…

Dat was – achteraf bezien – het begin van wat een hoogmoedig iemand De Grote Vernedering genoemd zou kunnen hebben. En, toen alles om me heen ineengestort was, stortte ik… ach, daar gáát het nu niet om…
Waar het natuurlijk eigenlijk om gaat, is dat ik nu, twintig jaar na dato, eindelijk het antwoord weet…
Nou, pa, het gaat wel aardig… geloof ik.