Onze dochter wordt spraakzaam wanneer ze een paar biertjes (“jolas”) achter de knopen heeft. Ze heeft dan bovendien de gewoonte ieder zinnetje af te sluiten met “…, percebes?” (= Portugees voor “snapjewel?”), een pauze te laten vallen en je gewichtig aan te kijken, alsof haar kroegprietpraat een zaak van nationaal belang is. Ik moet op zulke momenten de neiging onderdrukken om haar op afgemeten toon toe te voegen: “Nee, dat snap ik niet; ik ben namelijk volslagen idioot, …percebes!?”
Heb ik van mijn moeder…

Als jongetje zat ik op een warme dag eens een kopje thee te “doen” samen met mijn moeder onder de parasol, toen buurman Karst uit zijn auto klom. De man had de gewoonte om zijn barrel niet voor zijn eigen huis te parkeren (dat zou zijn vrije uitzicht maar belemmeren), maar bij ons voor de deur. Mijn moeder begreep onmiddellijk dat ie terugkwam van het bezoekuur in het ziekenhuis en informeerde belangstellend: “Hoe gaat ‘t met uw vrouw, buurman!?”
Wat mijn moeder niet wist (zoals mij dra duidelijk werd), was voor mij inmiddels gesneden koek; namelijk de bij Drenten aangeboren gewoonte om tussen elke twee zinnetjes een “…wee(t)jewel?” te piepen. Dus mijn moeder onderbrak spoedig ‘s mans gewauwel door hem op verbaasde toon in het Hooghaarlemmerdijkjes toe te voegen: “Nee, meneer, dat weet ik níet! Daarom vráág ik ‘t u!”
Ik kon op dat moment wel onder het gazon kruipen van plaatsvervangende schaamte en buurman Karst werd net zo rood als zijn Kever.

Tsja, mijn moeder was Friezin, rechttoe-rechtaan, en had geen boodschap aan loze franje in het algemeen en stopwoordjes in het bijzonder.

Ik ben inmiddels over die schaamte heen, die ik toen voelde; ik kan er nu wel om lachen. Gezien mijn eigen allergie voor oubollige stopwoordjes denk ik soms zelfs stiekem: “Mijn moeder besefte destijds bliksems goed, hoe de vork in de steel zat…”
Percebes!?