Met een pijnlijke trek om de verbeten lippen, doch vastberaden, kantel ik achter het stuurwiel vandaan…
Ik heb zojuist onze Volvo ergens ten zuiden van Zaragoza uit de bocht laten vliegen. Het stille zandweggetje ligt ingeklemd tussen twee hoge rotsen; de ideale plek, al zeg ik ‘t zelf.
Trouwens, al was ze níet ideaal, nood breekt wet!

Ik wankel een stukje verder langs het weggetje, opdat de rots met de langverlaten ruïnes erbovenop netjes tussen mij en het voorbijrazende verkeer ingeparkeerd komt te staan. Dat verkeer is overigens onverstoorbaar en zal vermoedelijk schijt hebben aan mijn geschutter aanstonds, maar… kennelijk ben ik de schaamte nog niet helemáál voorbij.
“Papier!”, bijt ik mijn vrouw over mijn schouder toe terwijl ik voortwaggel. Ik heb tijd noch geduld, om zelf op zoek te gaan in onze met vakantiespullen volgestouwde Volf; níet met een ontsluiting van… ik schat, toch mínimaal zes centimeter.

Een restje calvinistisch normbesef verbiedt me om middenop het pad neer te zijgen.
Ik heb onderweg een ontvelde, stevige lange tak opgeraapt, welke eens een zich reeds lang weggeschoren schaapsherder tot wandelstok gediend moet hebben. Ik hurk met de broek op de enkels aan de rand van het pad neer, me schragend met de lange stok schuin achter me, opdat ik niet achterover de afgrond in, temidden van het geil lonkende doorngewas, sodemie…
KRAKKK!

Mijn vrouw heeft de toiletrol dan kennelijk toch gevonden. Het duurde even, maar dan heb je ook wat!
Haar lokroep klinkt mij als muziek in de oren. Ik wil antwoorden maar geef geen kik; zelfs roepen doet ondraaglijk zeer, verneem ik, nog vóór mijn eerste poging: Auwauwauwwww!
Fluiten misschien!
Ik tuit de lippen en… breng niet of nauwelijks geluid voort; mijn fluitje schijnt ook zijn beste tijd te hebben gehad. Maar, kom op nou, even geen gemekker over vergane glorie nu… Muziek!
Met het puntje van mijn tong bevochtig ik de droge lippen en, warempel, een valse, doch ferme Marseillaise schalt door berg en dal.

Ja, hoor, daar verschijnt het silhouet van mijn lieve eega aan de rand van de afgrond… Tenminste, dat vermoed ik; ik leid het af uit een verandering in de lichtval. Want mijn hoofd oprichten teneinde haar langverbeide komst met eigen ogen te aanschouwen, lukt effe niet, vanwege de zeshonderd stekels, in rug en belendende ledematen…
Watte?
Of ik ook pijn heb!?
De lieverd! Ik héb vrouwen gekend die eerst een slordig halfuurtje in de slappe lach zouden schieten.
Zo niet mijn Maria!
[wordt vervolgd]