“Alle schoonheid en verhevenheid die wij de werkelijke en denkbeeldige dingen verleend hebben, dienen alsnog opgeëist als ‘s mensen eigendom…
Verbazend is de vrijgevigheid, waarmee hij de dingen heeft verrijkt om zichzelf te verarmen en zichzelf ellendig te voelen; verbijsterend de onbaatzuchtigheid, waarmee hij aanbad en bewonderde, en voor zichzelf wist te verbergen dat hij het was die datgene heeft geschapen wat hij bewonderde en aanbad.” F.N.