Wij streken neer in Viris, een gehucht middenin Galicië, teneinde een bak leut (een bak leuter, volgens hardnekkige Otto) tot ons te nemen. Aangezien het ontbijt reeds in vergetelheid begon te raken, nam Otto het op zich om een kleinigheid bij de koffie te bestellen.
Zijn “koekos”, “gebakkos” en “taartos” stuitten niettemin op een onverbiddelijk “no compriendo” bij de uitbaters van het lokaal.
Toen ik dan ook in de smiezen kreeg dat men een vrij aardig mondje Frans sprak, verhief ik me van mijn zetel en schreed gewichtig tapwaarts. Bovendien onderkende ik het gevaar dat mijn vriend dreigde te verdrinken in de prachtige bruine kijkers van de dochter des huizes. Met een zwemdiploma-B-blik verwees ik hem terug naar ons tafeltje en woest watertrappend slaagde ik erin 1) het vege lijf te redden 2) de volslanke schoonheid duidelijk te maken dat een eenvoudig, doch voedzaam broodje bij de koffie in goede aarde zou vallen bij de bleekgezichten.
Luttele seconden nadat ik me wederom aan ons tafeltje gevestigd had, kwam “moeders” uit de keuken tijgeren met een plakje spek in de ene, een stuk kaas in de andere hand en een vragende blik in de ogen. Ik knikte goedkeurend en wierp een superieure blik op mijn kompaan: Kijk, zó doet men dat!
De dampende sandwich met gebakken spek en kaas die ons even later werd voorgezet, was wat groter dan de trek van het moment, maar… komaan, kníesoor die daarop let! We hapten tevreden toe.
Te vroeg! Moeders kwam aansnellen met in elke hand een gigantisch stokbrood, evenzeer belegd met enorme hoeveelheden gebakken spek en kaas. Twijfel omtrent mijn talenkennis flakkerde in Otto’s ogen – twijfel die omsloeg in wanhoop, toen kort daarop het tafelblad aan het oog onttrokken werd door een levensgrote schaal met plakken worst en gerookte ham.
Maar wat konden wij beginnen? We stonden volstrekt machteloos tegenover de grenzeloze zorgzaamheid – wat zeg ik, liefde, pure vreemdelingenliefde! – van moeder en dochter. Ik was dan ook bereid me braaf het graf in te eten, als niet Otto, scheel van voldaanheid en met dichtgeslibde bloedvaten, de moed had gehad de dames om een “doggy bag” te vragen. Men wist de verbazing over het feit dat twee koters van ons formaat zo weinig konden verstouwen, ternauwernood te verbergen.

De vergoeding voor het gebodene viel alleszins mee en de twee euro die Otto neertelde bij wijze van fooi, werd naadloos gepareerd met een paar blikjes bier voor onderweg.
Alvorens ik een welgemeend aanzoek kon formuleren tot willekeurig welke van beide nimfen, trok Otto me kordaat aan mijn mouw naar buiten. Ik wil hier blijven, jammerde ik, ik wil huwen!
Een virale aandoening, diagnosticeerde Otto geroutineerd en gaf gas.