Linda vaart met Vítor mee over de loom ontwakende rivier die geeuwend en met tegenzin de ochtendnevels van zich afschudt: Uit de veren maar weer, weg met die klamme lappen!

Vítor is de visserman van het dorp waar ze woont…
Vier jaar geleden, toen haar man nog leefde, was het wassende water een keer zo hoog gestegen dat het huisje van de visserman onder water gelopen was. Linda en haar man hadden geen moment geaarzeld; ze hadden Vítor en zijn vrouw onmiddellijk de helpende hand toegestoken en onderdak geboden, zónder zich af te vragen waarom iemand van ’s mans familie dat niet deed. Twintig van de vijfentwintig inwoners van het rivierdorp behoorden immers tot Vítors clan!

Ze herinnert zich nog goed, hoeveel werk het met zich meegebracht had, om – in plaats van alleen haarzelf en haar man – nóg een echtpaar onder te brengen in hun bescheiden onderkomen. Dat was veel werk geweest! Veel werk voor háár; níet voor haar man. Díe had samen met Vítor, alsmede de andere mannen uit het dorp, geduldig rokend, terwijl ze zich onderwijl stevig vasthielden aan een glas rood, zitten wachten tot het water van de rivier zich uit het dorp terugtrok.

Nee, het werk was op haar neergekomen; vier(!) volwassenen die iedere dag moesten ontbijten, koffie drinken, warm eten, slapen…
En, niet te vergeten, alle wásgoed dat er losgekomen was, toen de rivier haar natte greep loste; het was voor het getroffen echtpaar kennelijk vanzelfsprekend geweest dat zij dat óók nog “wel even” kon wassen en strijken, tussen de bedrijven door.
Maar, ze had het allemaal gedaan, hoor, zónder dat er een klacht over haar lippen was geklauterd; we benne op de wereld, om mekaar… om mekaar te hellepe, niewaar!?