Ik had gewild – en daar had ik vooraf om eerlijk te zijn ook wel een beetje op gerekend – dat ik “onze” dochter van meet af aan zou moeten afremmen, zo ongeveer van: “Ik begrijp dat je verschrikkelijk in je nopjes bent dat we je opgevangen hebben en kost en inwoning gaven, nadat je in korte tijd werk, huis en man kwijtgeraakt was en geen nagel had om je eigen gat nog te kr….. afijn!
En ik snap ook, dat je ons zo min mogelijk tot last wilt zijn en de dankbaarheid waarvan je hart overloopt, graag wilt tonen! Maar… dat betekent echt niet dat je voortdurend moet rennen en vliegen om je moeder zoveel mogelijk werk uit handen te nemen, noch dat je vierentwintig uur per etmaal het zonnetje in huis moet zijn, noch dat je hemel en aarde moet bewegen teneinde zo snel mogelijk weer op eigen benen te staan…!” Enzovoorts, enzovoorts.

Nogmaals, dat had ik gewíld…