Knèèèrp, zei de Volf.
Gloe-gloe-gloeiende… gloeiende gòòòòdv…, ging ik meteen daarop door de geluidsbarrière.

Vroeger kon ik me verbazen over de explosiviteit van ús heit; hij kon om alles (én om niks) in toorn ontsteken…
Vandaag de dag kan ik zijn oceanische gemoed veel beter invoelen. Een klodder jam op mijn schone overhemd, een kopje dat me uit de vingers knurft, mijn pizzadeeg dat na een uur gespannen wachten nog geen millimeter gerezen blijkt; al dat soort dingen is koren op de molen van mijn oplaaiende zelfverwijt: Hi-ha-hondelul!!!
Niet dat ik mijn vader met terugwerkende kracht de schuld wil geven van mijn licht ontvlambare karakter, hoor; het zou al te gemakkelijk zijn om het op “Erfelijk belast, hè!” te gooien. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag ten slotte; kein Geloel!
En, sóms heb ik wel degelijk aanleiding om woest te zijn op mezelf…

Met een linkse, haakse bocht moest ik de parkeergarage onder het CDI in Évora uit. Men had een massief stalen hekwerkje zódanig met z’n baggerpoten in het beton gegoten, dat mijn drie meter lange linkerarm niet toereikend was om de uitrijkaart in de automaat te steken…
Dus, een tikje terug, Tiago, en de poort naar de vrijheid iets nauwer aansteken!
Echter, toen de slagboom omhoogzwiepte, zag mijn lodderige oog dat mijn rechterkoplamp een massief grijze muur van gewapend beton bedreigde…
Deze parkeergarage is goddomme gemaakt voor speelgoedautootjes, foeterde ik tegen mijn vrouw, voor Mercedessen en BMW’s, en meer van dat grut!
Dus, wéér een stukje achteruit en het stuurwiel hélemaal om!
Knèèèèrp, zei de Volf.

Op zulke momenten hélpt het niet echt dat mijn vrouw me probeert te kalmeren. Gek, hè!?
Rustig maar!? Moet je mijn linkerachterportier eens zien, hélemaal in de kreukels, gloe-gloe-gloe..!!
Ik zei nog tegen je, deed ze er een schepje bovenop, denk nou om dat hekje!
Nee, die opmerking hielp me óók niet kalmeren, nee. Gek, hè!? Heeft ze dat werkelijk tegen me gezegd? En heb ik, ongelooflijke klootviool die ik ben, dat niet eens gehóórd!? Ik verdien het niet om verder te léven!!! Geef me een vuurwapen, nu!! Hè!? Nou, een touw dan!! Ook niet!? Laten we dan maar naar huis gaan!

Afijn, twee uur later, toen we langs de villa van Monteiro reden, slaagde ik erin om de blikschade enigszins te relativeren…

Monteiro is de Dagobert Duck van ons dorp. Vanwege zijn onhebbelijke aard en uitpuilende ogen noemen de dorpelingen hem “Olhos Esbugalhados” (“Dopoog”, zeg maar!). Omdat ie zijn fortuin gemaakt heeft in de marmer, heb ik hem de iets internationalere bijnaam “Popeye the Marbleman” gegeven.
Zijn villa op de hoogste top kijkt uit over de verre omgeving; over de Alentejo, Andalucia en de Algarve. Zijn speedboat ligt afgemeerd aan de steiger in het dorp en zijn wagenpark bevat onder meer de grootst mogelijke Mercedes (wel bijna half zo groot als onze Volf!), een terreinwagen en een Harley Davidson.
Op laatstgenoemd transportmiddel stopte hij laatst voor een overstekende voetganger op een zebrapad. Hij zondigde daarmee tegen ‘s lands wijs, ‘s lands eer, alsmede tegen ‘s lands gebruiken en werd daarvoor dan ook meteen afgestraft en platgereden door een achteropkomende automobiliste, die gas gaf…
Popeye heeft maandenlang in coma gelegen. Dááruit is ie naar verluidt inmiddels ontwaakt, maar hij heeft nog geen woord gesproken; hij staart slechts met grote, vragende en… ehh, uitpuilende ogen voor zich uit, naar het witte marmer van de toilettafel.

Aan hem moest ik denken toen ik de afdaling naar ons dorp inzette. “Ach, wat is blikschade nou helemaal,” zeg ik tegen mijn verbaasd opkijkende vrouw, “als we allebei goed gezond zijn!?”